Geschiedenis

De Aberdeen Angus is in de 19de eeuw ontstaan uit hoornloze Schotse veerassen als het Glenvee, de Polled, de gehoornde Aberdeenshire en de Forfarshire. Het oorspronkelijke fokgebied ligt in Oost-Schotland tussen de Noordzeekust en het Hoogland.
Het omvat de graafschappen Banff, Aberdeen, Kinkardine en Angus. Veehouder Hugh Watson (1789-1865) in Keillor wordt als de belangrijkste grondlegger van het ras gezien.
 
 
Het stamboek
 
In 1862, 27 jaar nadat het ras officieel erkend is, werd het hoornloos stamboek opgericht waarin hoornloos zwart Schots vee kon worden ingeschreven.
In 1879 werd het eigenlijke stamboek, The Aberdeen Angus Society, opgericht.
Duitsland, Denemarken en Zweden hebben ook nationale stamboeken.
In 2004 richtten Frankrijk, België en Luxemburg samen één stamboek op. Het Nederlandse Aberdeen Angus stamboek bestaat sinds 12 december 2012.
 
 
 
 
De karakteristieke eigenschappen
 
De Aberdeen Angus is een sterk natuurlijk ras dat zomer en winter buiten kan lopen. Het ras is uitermate geschikt voor het onderhoud van natuurgebieden. Ze gedijen in arme, onbemeste graslanden en behoeven geen bijvoeding met krachtvoer zoals maïs e.d.
Het korte haarkleed van de Angus is eenkleurig zwart. Soms kleurt er een rode gloed over de punten van de lange winterharen. De zwarte kleur is dominant, maar af en toe komen ook rode kalveren voor.
Huid, slijmvlies en klauwen zijn zwart gepigmenteerd. De kleine, gedronge kop is hoornloos. Ondanks dat hoornloosheid dominant vererft, komen gehoornde exemplaren sporadisch voor. Deze dieren voldoen niet aan het fokdoel en worden daarom niet in het stamboek opgenomen.
De oorspronkelijke Aberdeen Angus is klein van stuk. Kort en fijn beenwerk ondersteunt het cilindrisch gevormde lichaam. Gezien van opzij hebben de dieren een typische rechthoekige vorm met een duidelijk tussen de voorbenen uitstekend borstbeen. Koeien bereiken een schofthoogte van 120 centimeter en wegen zo'n 500 kilo. Stieren worden 10 centimeter groter en kunnen tot 800 kilo wegen.
Fokkers en slagers roemen het ras om zijn karakter. Het zijn hele rustige dieren. Ook zijn ze ook heel makkelijk in gebruik. Ze zijn zeer zelfredzaam en kunnen eigenlijk jaarrond buiten verblijven. Daarbij lijken ze soms haast te groeien van de wind. Ze zijn niet kieskeurig op hun voedsel en groeien al van hooi en extensieve weiden. Om ze af te mesten gebruiken veehouders dan ook vaak geen brok; maïs en kuilvoer of hooi is genoeg.
 
 
Vruchtbaarheid en voortplanting
 
Vaarzen zijn met 27 tot 30 maanden rijp om te kalven. Het afkalven verloopt gemakkelijk. De koeien kalven gewoon in de buitenlucht. Binnen een half uur staat het kalf op eigen benen en drinkt het bij de moeder.
De tussenkalftijd is 369 dagen. Maar fokkers ervaren dat er ook koeien flink inlopen. Opvallend zijn de geringe geboortegewichten van de kalveren waardoor hulp bij de geboorte bijna nooit nodig is.